Opent in een nieuw tabblad
Historie

Overnachten in een rijksmonumentale vakwerkhoeve

Hoeve Hurpesch is een eeuwenoude, typisch Zuid-Limburgse vakwerkboerderij en een rijksmonument. De geschiedenis van het perceel gaat terug tot de 14e eeuw.
Zwart-witfoto van de vakwerkhoeve tussen de bomen
Het begin

Er stond hier ooit een kasteel

Er heeft ooit een kasteel gestaan, omringd door een gracht. De Klitserbeek die nu langs de boerderij stroomt herinnert daar nog aan. Lang geleden werd hier geboerd. Het omliggende natuurgebied is nu eigendom van Natuurmonumenten, maar was destijds onderdeel van de boerderij.
Door de eeuwen heen

De geschiedenis van Hoeve Hurpesch

Kasteel Hurpesch lag op de oostoever van de Geul, vlak bij de plek waar de Klitserbeek in de Geul uitmondt.

1325

Het kasteel wordt genoemd als leengoed, in bezit van Gilles van Horpesch.

16e eeuw

De familie Van Wallum is eigenaar van het goed, dat toen Horpisch heet.

1696

Kasteel Hurpesch wordt gesloopt.

18e en 19e eeuw

De huidige vakwerkhoeve wordt gebouwd.

1993

Archeologisch onderzoek laat zien dat de hoeve op een vrijwel rond eiland lag (een motte, ongeveer 50 meter breed), omringd door een gracht die door de Klitserbeek werd gevoed.

2017 en 2021

Bart en Cecile restaureren de hoeve (2017) en ’t Bakhuisje (2021), met oog voor detail en duurzaamheid.
Detail van vakwerk met houten balken en leem
Bouwstijl

Vakwerk

De typische zwart-witte huizen die je op veel plaatsen in Zuid-Limburg tegenkomt: prachtige eiken spanten en eeuwenoude houten balken. Het skelet van een vakwerkhuis is gemaakt van houten balken, en de vlakken worden gevuld met een takkenraster, stro en leem.
Tot 1850 werden veel huizen in het Heuvelland zo gebouwd. De materialen waren dichtbij te vinden, goedkoop en recyclebaar. Eigenlijk erg duurzaam dus.
Een hangmat in de tuin bij 't Bakhuisje
Bakhuizen

Het Bakhuisje van vrouw Holle

Bakhuisjes zie je hier veel in de buurt. Het zijn kleine huisjes waarvan één deel een grote oven is, vaak minstens 2 meter diep. De oven werd een dag lang opgestookt met takkenbossen (sjansen) tot 300 graden of meer. Eerst werden er broden in gebakken, een paar uur later (bij 160 graden) de vlaaien, en tot slot diende de oven om bijvoorbeeld appeltjes te drogen.
Bakhuisjes stonden meestal los van de hoeves, in verband met brandgevaar, en werden vaak gedeeld door een hele buurtschap. Zo ook hier: in het Bakhuisje van vrouw Holle werden vroeger broden en vlaaien gebakken voor de hele buurt, en samen met elkaar.
Zelf ervaren

Overnachten in een stukje geschiedenis

Kijk of jullie datum nog vrij is, of lees meer over ons verhaal.